Wat behelst de verplichte keuring binnenvaartwet

In de Europese richtlijn 2006/87/EG staan alle eisen waar schepen aan moeten voldoen.

Hoofdstuk 1 tot en met H14 hebben betrekking op alle schepen.

In hoofdstuk 21 staan alle artikel nummers uit H1 tot en met H14 die gelden voor grote pleziervaartuigen.

Voor pleziervaartuigen waarvan voor 30-12-2008 met de bouw is gestart (kiellegging), die niet op de Rijn buiten Nederland willen gaan varen, is er tot 30-12-2018 een overgangsregeling. Die houdt in dat niet voldaan hoeft te worden aan de eisen volgens H21, er mag echter geen sprake zijn van “klaarblijkelijk gevaar”. Op het certificaat worden echter wel alle zaken vermeld waar op het schip niet voldoet aan de eisen uit H21. Schepen die een certificaat willen hebben waar ook mee op de Rijn buiten Nederland mag worden gevaren of waarvan de bouw is gestart na 30-12-2008 moeten voldoen aan alle eisen uit H21.
Voor pleziervaartuigen die een CE-markering hebben volgens de Europese richtlijn 94/25/EG geldt hieronder alleen de cursieve tekst.

Klaarblijkelijk gevaar

De achterliggende gedachte hiervan is dat schepen die al jaren varen niet opeens onveilig zouden worden. In de Europese richtlijn, artikel 8.3 staat over klaarblijkelijk gevaar: 3. Er is sprake van klaarblijkelijk gevaar in de zin van dit artikel, wanneer de voorschriften in verband met de structurele eigenschappen van het vaartuig, de vaar- of

manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken overeenkomstig bijlage II in het geding zijn.

In de praktijk komt dit neer op eisen betreffende:

1. Cascosterkte, huiddikte en aanvaringsschot (voorpiekschot)

2. Stuurinrichting (inclusief stuurautomaat indien aanwezig)

3. Vrij zicht

4. Anker inrichting (operationeel)

5. Marifoon(s) en AIS

6. Gasinstallatie aan boord (indien aanwezig)

7. Luchtflessen met een maximale druk van meer dan 10 bar

8. Brandveiligheid (voldoende en gekeurde blussers)

9. Reddingsmiddelen en overige uitrusting

10. Manoeuvreereigenschappen (zo nodig met een proefvaart aantonen), voor de meeste schepen is het niet erg moeilijk om hieraan te voldoen.

1. Cascosterkte, huiddikte en aanvaringsschot.

Minimale vlak/huid/kim dikte

Deze minimale vereiste diktes zijn afhankelijk van de lengte, spantafstand en bouwwijze van het schip.

Voor schepen met een lengte van 40 m of minder en een spantafstand van max. 500 mm is de min. maat in mm voor het vlak en de huid: 1,5 + (0,06 x lengte in meters). De kim moet min. 1,25x deze maat zijn.

Altijd geldt voor vlak, huid en kim min. 3,0 mm.

Er moet een waterdicht aanvaringsschot aanwezig zijn op min. 0,04L en max. 0,04L +2m, gemeten vanaf de voorloodlijn, enige afwijking van deze maat is toegestaan. Zonder een waterdicht aanvaringsschot is wel een

CvO mogelijk maar dan voor een beperkt vaargebied. Varen in zone 2 en het RPR gebied is dan niet toegestaan.

Onder zone 2 valt o.a. Waddenzee, IJsselmeer/Markermeer, Hollands Diep, Haringvliet, Volkerak, O/W Schelde.

Voor schepen met een CE-markering is onderzoek van cascosterkte en meten van huiddikte niet voorgeschreven.

Wel moet de expert een schip met een CE-marketing “bij het eerste onderzoek op het droge bezichtigen”.

2. Stuurinrichting

Schepen moeten zijn voorzien van een betrouwbaar werkende stuurinrichting.

3. Vrijzicht

Het uitzicht vanaf de stuurstelling moet naar alle zijden voldoende vrij zijn. De dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en zonder ballast mag voor de roerganger niet meer zijn dan tweemaal de scheepslengte of 250 m tot het wateroppervlak, al naargelang welke afstand het kortste is.

4. Anker inrichting (operationeel)

Het anker en de ankerketting moeten voldoende zwaar zijn t.o.v. het gewicht en de afmetingen van het schip.

De ankerlier moet vlot gangbaar zijn en de ketting van voldoende lengte.

5. Marifoon verbinding en AIS

Minimaal één werkende marifoon, als ook op de vaarwegen van BPR bijl. 9 gevaren gaat worden dan 2 marifoons (2e marifoon is niet verplicht voor kleine schepen**).

De 2e marifoon mag een handheld zijn, de 1e moet een vast ingebouwde marifoon zijn.

Een inland AIS transponder klasse A met inbouw verklaring (RPR/BPR eis)

6. De gasinstallatie

Deze moet gekeurd zijn, om de 3 jaar. De keuring moet uitgevoerd worden door een door ILenT erkende installateur (voor een overzicht klik hier) of door een HISWA erkende installateur. Het keuringscertificaat moet aan boord zijn.

7. Luchtflessen

 Als de maximale druk meer is dan 10 Bar (startluchtflessen) moeten deze om de 5 jaar worden gekeurd.

 8. Brandveiligheid

• Op de volgende plaatsen moet telkens 1 draagbaar blustoestel aanwezig zijn:

o in hetstuurhuis;

o in de nabijheid van iedere toegang van het dek naar de verblijven;

o bij iedere toegang tot machinekamers of ketelruimen;

• Minimaal 2 blustoestellen aan boord, per blusser 6 kg poeder of 9 liter schuim.

• Als er een gasinstallatie aan boord is dan moeten er minimaal 3 blussers aan boord zijn waarvan er één een

poederblusser is. Deze moet daar aanwezig zijn waar het vaakst gas wordt gebruikt. Alle blussers moeten een geldige keuring hebben (max. 2 jaar geldig).

9. Reddingsmiddelen en overige uitrusting

 • minimaal een lenspomp, mag een dompelpomp zijn.

 • 3 reddingsboeien (inwendig min. 45 cm ) elk met 4x SOLAS band, 1 daarvan moet een licht hebben

 • voor elke opvarende een reddingsvest, mogen “vaste” zijn

 • bord “redden drenkelingen”

 • verbandtrommel (Verbandtrommel model B of Oranje Kruis Bedrijfsverbanddoos BHV)

 • verrekijker 7 x 50 of een grotere lensdiameter

 • blauwbord metrondom schijnend wit helder flikkerlicht (niet verplicht voor kleine schepen)

 • navigatie verlichting (incl. 2 ankerlichten: 1 voor en 1 achter) (voor kleine schepen is één ankerlicht voldoende)

 • elektrische of pneumatische scheepshoorn met fluitlicht (fluitlicht is niet verplicht voor kleine schepen)

 • roerstand aanwijzer en ruitenwisser

 • krachtige schijnwerper op batterijen

 • anker bol (diametermin. 60 cm.) (voor kleine schepen min. 30 cm.)

 • bootshaak

 10. Manoeuvreereigenschappen

Goed bestuurbaar en snelheid door het water min. 11 km/uur. Bij twijfel is een proefvaart nodig.

Niet genoemd in het lijstje klaarblijkelijk gevaar maar noodzakelijk voor de veiligheid:

• Brandstoftanks van staal en leidingen van metaal (of oliebestendige slang met metalen omhulsel)

• Uitlaten geïsoleerd en niet door verblijven, tenzij in mantelbuis of heel goed geïsoleerd

• Draaiende delen afgeschermd

• Brandstofkraan op elke tank van buiten af afsluitbaar en gemarkeerd met tekst: noodafsluiter, bij brand

 sluiten (zie afbeelding op volgende bladzijde)

• Vul openingen aan dek voor olie en drinkwater of afzuigen van vuilwater moeten gemerktzijn door tekst of kleur (olie: rood, drinkwater: blauw en vuilwater:zwart)

• Peilglas metzelfsluitende kraan

 • Accu’s moeten vaststaan en de polen moeten zijn afgeschermd

• Bilge afsluiter “verzegeld” door ketting met hangslot

• Afsluiters van aftappen e.d. afdoppen

• In de machine kamer een metalen bus met een metalen deksel om vette poetsdoeken in te bewaren

• Alle slangen onder de waterlijn van gewapend materiaal en voorzien van dubbele slangklemmen

 • Stickers “vuur, open licht en roken verboden” op alle accu’s (zie afbeelding op volgende bladzijde)

 • Geen brandbare/gevaarlijke stoffen in machine kamer

• Rookmelders

 

Kentekens

Wat ook voor elkaar moetzijn voor het CvO zijn de kentekens op hetschip. Dat staat niet in de 2006/87/EG maar komt uit het BPR/RPR, art. 2.01 en 2.02.

• De naam van het schip moet aan beide zijden en op de achterzijde zijn aangebracht,

letterhoogte min. 20 cm. (voor kleine schepen is alleen de naam vooraan aan beide zijden van het schip voldoende, hoogte min. 10 cm.)

• De thuishaven op beide zijden of op de achterzijde, achter de thuishaven moet een N staan, letterhoogte min. 15 cm. (niet verplicht voor kleine schepen, in plaats daarvan moet bij kleine schepen de naam en de woonplaats van de eigenaar op een in het oog vallende plaats aan de binnen- of de buitenzijde van het schip worden aangebracht)

• Het ENI nummer moet aan beide zijden en op de achterzijde zijn aangebracht, letterhoogte min. 20 cm. (geldt niet voor kleine schepen, daarvoor geldt dat het ENI ergens op het schip moet zijn aangebracht)

Als de hoogte van de letters problemen op leveren zijn wat kleinere letters ook wel toegestaan, dat gebeurt wel meer bij de wat “kleinere” schepen. De letters moeten goed leesbaar zijn, in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op een lichte ondergrond.

Kadaster

Als het schip is ingeschreven in het kadaster moeten daar de actuele gegevens staan.

Het gebeurt nog wel eens dat daar nog een oud adres staat. Ook de naam/namen van de eigenaar/eigenaren moet(en) precies kloppen.

Als het schip is ingeschreven in het kadaster moet het brandmerk ergens bovendeks zijn ingehakt of op een andere wijze duurzaam zijn aangebracht.

** onder een klein schip wordt verstaan een schip met een lengte over de stevens van minder dan 20 meter tenzij:

- een groot schip gesleept, geassisteerd, geduwd of langszijde vastgemaakt wordt meegevoerd, dan is een CvO nodig voor een beroeps sleep/duwboot

- er wordt gevaren met meer dan 12 betalende passagiers, dan is een CvO nodig voor een passagiersschip

Voor pleziervaartuigen bestaan er 2 soorten “Certificaat van Onderzoek”, een CBB (Communautair Binnenvaartcertificaat voor Binnenschepen) en een CVOR (Certificaat van Onderzoek Rijn). Met een CVOR mag ook op de Rijn buiten Nederland worden gevaren, met een CBB niet tenzij in het CBB staat dat deze ook geldig is op de Rijn

buiten Nederland.

Een teboekstelling als zeeschip en een zeebrief geeft voor Nederlandse pleziervaartuigen geen vrijstelling voor het CvO.